23-01-2023

Hebben partijen met hun finaal verrekenbeding slechts de regels over de omvang van wettelijke gemeenschap op het oog gehad?

Deze maand schreef Karlijn Hageraats- Bouwens een artikel voor het Tijdschrift Rechtspraak Familierecht (RFR), afl. 2, 2023, over een uitspraak van de Hoge Raad van 7 oktober 2022. In deze zaak waren partijen een finaal verrekenbeding overeengekomen, waardoor er bij scheiding moest worden afgerekend alsof er een algehele gemeenschap van goederen had bestaan. Erfenissen en schenkingen vallen er buiten. Door de man was er geld uit erfenis ontvangen tijdens het huwelijk en dat geld was opgemaakt door partijen. Het is de vraag of partijen met het finale verrekenbeding alleen de regels over de omvang van de gemeenschap op het oog hadden of ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten.


Hoge Raad 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389

Artikelen: 1: 142 BW, 1: 95 lid 2 BW en 1: 96 lid 4 BW

Finaal verrekenbeding, vergoedingsrechten bij afrekening fictieve gemeenschap

Essentie

Huwelijksvermogensrecht. Finaal verrekenbeding.

Hebben partijen met hun finaal verrekenbeding alsof algehele gemeenschap van goederen had bestaan slechts de regels over de omvang van wettelijke gemeenschap op het oog gehad of ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten als bedoeld in art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW?

 

Samenvatting

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest op basis van huwelijksvoorwaarden. In deze huwelijksvoorwaarden is een finaal verrekenbeding opgenomen, waarin is bepaald dat er bij einde huwelijk zal worden afgerekend alsof er tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan. Erfenissen of schenkingen blijven buiten deze afwikkeling. Verder zijn partijen overeengekomen dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden voldaan uit de netto-inkomens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan en dat, voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, deze kosten worden voldaan uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan. De man heeft staande huwelijk een bedrag van € 131.201,81 verkregen uit erfenissen/schenkingen. Dit bedrag was voor de peildatum uitgegeven. Het hof heeft, conform het standpunt van de man, het bedrag van € 131.201,81 buiten de verrekening gehouden. Hiertegen richt zich het middel.

HR: Indien echtgenoten gehuwd zijn op huwelijkse voorwaarden die een of meer verplichtingen tot verrekening van inkomsten of vermogen inhouden, heeft de verplichting tot verrekening – voor zover de echtgenoten niet anders zijn overeengekomen – op grond van art. 1:133 lid 2, tweede zin, BW geen betrekking op vermogen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift is verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat vermogen of die vruchten in de plaats getreden goederen. Met betrekking tot de verrekening bepaalt art. 1:135 BW dat deze geschiedt bij helfte (lid 1) en dat daarop enkele bepalingen met betrekking tot de verdeling van een gemeenschap van overeenkomstige toepassing zijn (lid 2). Art. 1:142 BW bepaalt voor finale verrekenbedingen op welk tijdstip de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald (de peildatum).

De hiervoor genoemde wettelijke bepalingen – die aansluiten bij hetgeen voor 1 september 2002 gold – brengen mee dat goederen van een echtgenoot die deze voorafgaand of tijdens het huwelijk krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen of die voor zodanige goederen in de plaats zijn getreden, buiten de verrekening blijven indien zij op de peildatum nog aanwezig zijn. Uit de bepalingen vloeit geen vergoedingsrecht voort voor goederen die op de peildatum niet meer aanwezig zijn.

Finale verrekenbedingen bevatten veelal de bepaling dat aan het einde van het huwelijk wordt afgerekend alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan. Door een dergelijk ‘alsof’-beding overeen te komen, zoeken de echtgenoten aansluiting bij regels voor de wettelijke gemeenschap van goederen in titel 7 van Boek 1 BW. De vraag kan rijzen of de echtgenoten daarbij slechts het oog hebben gehad op de regels over de omvang van de wettelijke gemeenschap (in het bijzonder art. 1:94 BW), dan wel of zij mede beoogden om de mogelijkheid van het ontstaan van vergoedingsrechten als bedoeld in (thans) art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW in het leven te roepen. Wat art. 1:96 lid 4 BW betreft, zou het dan gaan om een vergoedingsrecht in verband met het voldoen van een schuld van de ‘pseudo-gemeenschap’ ten laste van niet tot die pseudo-gemeenschap behorende eigen goederen van een echtgenoot. Deze vraag kan niet in algemene zin worden beantwoord. Of partijen met een ‘alsof’-beding niet slechts een methode van verrekening naar analogie van de gemeenschap van goederen zijn overeengekomen, maar ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten alsof tijdens het huwelijk gemeenschap van goederen heeft bestaan, is een kwestie van uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Bij die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg kan, tegen de achtergrond van hetgeen voortvloeit uit de hiervoor genoemde wettelijke regels, bijvoorbeeld van belang zijn wat partijen eventueel nader met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering zijn overeengekomen en of zij naast het ‘alsof’-beding reeds regelingen hebben getroffen voor het ontstaan van vergoedingsrechten, zoals ter zake van de kosten van de huishouding.

Het hof heeft geoordeeld dat het bedrag dat de man uit erfstelling en schenking heeft ontvangen, buiten de verrekening dient te blijven en dat er geen reden is de stelling van de vrouw te volgen, die erop neerkomt dat alleen buiten de verrekening blijft wat er resteert van erfstellingen en schenkingen, onmiddellijk of middellijk via zaaksvervanging. Het hof heeft zijn uitleg slechts gemotiveerd met de overweging dat de tekst van de huwelijkse voorwaarden voor die uitleg geen ruimte biedt. Hiermee heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.

Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt naar analogie van hetgeen voor het geval van een huwelijksgemeenschap is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019, had het moeten ingaan op het betoog van de vrouw dat dit zich niet verdraagt met hetgeen partijen in art. 8 van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen over de kosten van de huishouding. Ook deze klacht slaagt. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof ’s-Hertogenbosch.

Verwant oordeel

Zie ook:

• HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504RFR 2019/96: schenking onder uitsluitingsclausule in gemeenschap van goederen; dat schenkingen zijn aangewend voor consumptieve bestedingen, doet niet af aan het vergoedingsrecht van de vrouw;
• HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2385RFR 2018/28: reprisevordering aangenomen. Nu deze reprisevordering, wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, niet kan worden verhaald op de gemeenschap, kan de helft worden verhaald op het privévermogen van de man;
• Hof Amsterdam 6 september 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2602RFR 2023/5: vergoedingsrecht aangenomen op basis van een huishoudkostenvordering;
• A.J.M. Nuytinck, “Alsof-beding”, AA november 2022/11;
• L.H.M. Zonnenberg, “Afwikkeling vergoedingsrechten” EB 2019/69.

Zie anders:

• Hof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8203: geschonken gelden gebruikt voor gemeenschappelijke doeleinden waaronder kosten van de huishouding; gelden behoren niet tot gemeenschappelijk vermogen, geen vergoedingsrecht;
• Hof ’s-Hertogenbosch 14 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3122RFR 2022/ 25: het feit dat de erfenis op een rekening is gestort die alleen op naam staat van de vrouw houdt niet in dat die erfenis “tot het gemeenschapsvermogen” is gaan behoren;
• Hof ’s-Hertogenbosch 14 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4872RFR 2018/34: geen repriserecht. Partijen waren het er niet over eens dat de gemeenschap gebaat is door het privévermogen van de man en hof kon niet vaststellen waaraan het vermogen was besteed noch dat partijen afspraken hadden gemaakt over de besteding van het vermogen;
• Hof ’s-Hertogenbosch 13 november 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3854: in algemene zin is voor een vergoedingsrecht geen plaats bij de afrekening op grond van een finaal verrekenbeding;
• Hof ’s-Hertogenbosch 6 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9349RFR 2012/82: wel vergoedingsrecht op gemeenschap voor het privévermogen dat voor betaling van een gemeenschapsschuld is aangewend (belastingschuld) maar niet voor het deel dat als gift moet worden bestempeld.

Wenk

De Hoge Raad bepaalde op 5 april 2019 dat het feit dat schenkingen ontvangen onder uitsluitingsclausule zijn aangewend voor consumptieve bestedingen geen afbreuk hoeft te doen aan het bestaan van een vergoedingsrecht. In deze zaak van april 2019 waren partijen gehuwd in een algehele gemeenschap van goederen. Een van partijen had schenkingen ontvangen. Deze waren gestort op de gemeenschappelijke rekening van partijen, waarmee allerhande niet traceerbare lasten zijn voldaan. Omdat van deze bankrekening dus met gemeenschappelijk vermogen gemeenschapsschulden zijn voldaan, leidde dat ertoe dat sprake was van een vergoedingsrecht. De gemeenschap was immers gebaat door het aan de vrouw geschonken (privé-)vermogen. Ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn volgens de Hoge Raad aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Datzelfde geldt voor uitgaven in verband met de kosten van de huishouding. In dat geval is volgens de HR sprake van een vergoedingsrecht van de vrouw op de gemeenschap op basis van art. 1:96 lid 4 BW, namelijk een zogenaamde reprise.

In de onderhavige zaak was er eveneens sprake van een schenking/erfenis, die is opgemaakt tijdens het huwelijk van partijen. Er was echter geen sprake van een daadwerkelijke algehele gemeenschap van goederen, zoals in de uitspraak van de HR van 5 april 2019, maar van een finaal verrekenbeding, waarin was bepaald dat er bij scheiding tussen partijen zou moeten worden afgerekend alsof er tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen zou hebben bestaan. De vermogens van partijen zijn dus - anders dan bij een daadwerkelijke algehele gemeenschap van goederen - gescheiden gebleven. Pas bij het einde van het huwelijk door echtscheiding is een verrekenverplichting tussen beide echtgenoten ontstaan. Hierbij moeten partijen op dat moment met elkaar afrekenen ‘alsof’ er een huwelijksgemeenschap tussen hen had bestaan. Hierbij gold dat de geërfde en geschonken goederen buiten de gemeenschap bleven. Is er ook in dat geval een vergoedingsrecht van de man ontstaan? Kortom, hebben partijen met hun huwelijksvermogensrechtelijke afspraken naast de afspraken over de omvang van de gemeenschap, zoals onder meer uitgewerkt in art. 1:94 BW, ook bedoeld om afspraken te maken over het al dan niet ontstaan van vergoedingsrechten, zoals uitgewerkt in art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW. De huwelijksvoorwaarden van partijen vermeldden hier niets over.

De Hoge Raad oordeelt dat de beantwoording van deze vraag afhangt van de uitleg van de huwelijksvoorwaarden. Volgens vaste jurisprudentie moet die uitleg plaatsvinden conform de Haviltexformule. Bij deze uitleg kan bijvoorbeeld van belang zijn wat partijen eventueel met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering zijn overeengekomen en of zij naast het ‘alsof’-beding ook regelingen hebben getroffen in hun huwelijksvoorwaarden voor het ontstaan van vergoedingsrechten, zoals voor de kosten van de huishouding. Hier is dus geen algemene rechtsregel voor te formuleren. Het antwoord op deze vraag zal steeds verschillend kunnen luiden. Het verwijzingshof zal onder meer moeten ingaan op het betoog van de vrouw over artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden (kosten huishouding). Als de man met zijn vermogen (een deel van) de kosten van de huishouding voor zijn rekening moest nemen is immers in zoverre voor een vergoedingsvordering van de man geen plaats.

Deze uitspraak betekent dat het notariaat er ook in het geval van een finaal verrekenbeding verstandig aan doet om met partijen te bespreken wat zij willen bereiken met hun huwelijke voorwaarden, waarover ze precies willen verrekenen en dit alles vervolgens, bijvoorbeeld met behulp van een considerans, duidelijk in de tekst van de huwelijkse voorwaarden te verwerken. Uit de onderhavige uitspraak volgt dat het in deze zaak gehanteerde finale verrekenbeding die duidelijkheid onvoldoende biedt. Dat kan bij het einde van het huwelijke onplezierige verrassingen opleveren.

Top