21-03-2024

Verdeling gemeenschappelijke woning, economische eigendom, onverschuldigd betaald, of ongerechtvaardigd verrijkt

Voor het Tijdschrift Rechtspraak Familierecht schreef Karlijn Hageraats- Bouwens deze maand een artikel over een uitspraak van het Hof Arnhem- Leeuwarden van 12 december 2023 (RFR 2024/46).
In deze uitspraak stond de vraag centraal of de man recht heeft op (een deel van) de overwaarde van de woning van de vrouw, waarin hij na de scheiding is blijven wonen?

Essentie
Heeft de man recht op (een deel van) de overwaarde van de woning van de vrouw, waarin hij na de scheiding is blijven wonen? Is er sprake van economisch eigendom, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking? Leiden de redelijkheid en billijkheid tot een ander oordeel?

Samenvatting

Partijen zijn op 20 juli 1996 in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot die gemeenschap behoorde onder meer de echtelijke woning. Tijdens hun huwelijk hebben partijen op 27 juni 2006 huwelijkse voorwaarden gemaaktwaarin zij onder meer zijn overeengekomen dat zij met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Daarnaast hebben partijen daarbij afgesproken dat zij bij het einde van het huwelijk door echtscheiding met elkaar zouden afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd en dat de vrouw in geval van echtscheiding een zogenoemd basisvermogen zou toekomen van € 90.000. In de huwelijkse voorwaarden hebben zij bovendien de verdeling van de huwelijkse gemeenschap vastgelegd, waarbij de woning in volle eigendom aan de vrouw is toegedeeld. Partijen zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk gebleven voor de hypotheekschuld. De echtscheidingsbeschikking van 26 februari 2014 is op 21 maart 2014 ingeschreven in de openbare registers. Partijen hebben in het kader van de financiële afwikkeling van hun echtscheiding afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 25 april 2014. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de vraag aan wie van hen welk deel van de overwaarde van de woning toekomt in het geval de woning aan een derde wordt verkocht.

 Hof: De man stelt allereerst dat hij economisch eigenaar is geworden van de woning en op die grond recht heeft op (een deel van) de overwaarde. Deze stelling wordt door de vrouw betwist. Partijen zijn het erover eens dat de man de (maandelijkse) woonlasten van de woning heeft betaald. Dat hij economisch eigenaar is geworden, is echter niet gebleken. Nu de vrouw deze stelling van de man heeft betwist, lag het op de weg van de man om zijn stelling te onderbouwen met stukken. Dit heeft de man niet gedaan. Integendeel, hij heeft ter zitting bevestigd dat er geen stukken zijn waar dat uit zou kunnen blijken.

In vervolg hierop stelt de man dat hij op grond van de redelijkheid en billijkheid recht zou hebben op (een deel van) de overwaarde, omdat hij in de periode dat hij zonder de vrouw in de woning heeft gewoond alle kosten van de woning heeft betaald en in de woning heeft geïnvesteerd. Hij voert daartoe aan dat hij de maandelijks verschuldigde rente en aflossing en overige woonlasten heeft voldaan, dat de woning is verbouwd en door hem is onderhouden. De vrouw erkent dat de man de woonlasten van de woning heeft betaald, maar zij bestrijdt dat hij op de hypothecaire lening heeft afgelost, dat hij de gestelde investeringen heeft gedaan en dat hij onderhoudskosten heeft gemaakt. Zij bestrijdt verder dat de waarde van de woning door toedoen van de man zou zijn vermeerderd of dat hierdoor een waardevermindering is voorkomen. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de man weliswaar maandelijks rente en premies voor de levenhypotheek heeft betaald, maar niet dat hij heeft afgelost op de hypotheekschuld. Evenmin is gebleken dat de man andere onderhoudskosten heeft gehad. Wat de verbouwingskosten betreft, geldt dat de woning indertijd is verbouwd, maar dat partijen daar reeds tijdens hun huwelijk een (verbouwings)hypotheek voor hadden afgesloten. Van andere investeringen door de man is niet gebleken. Bovendien heeft hij niet gesteld en onderbouwd wat de invloed van deze eventuele investeringen zou zijn geweest op de waarde van de woning, zodat niet kan worden geconcludeerd dat overwaarde op de woning daardoor is ontstaan. Gelet op het voorgaande houdt het hof het ervoor dat de waardestijging van de woning enkel door tijdsverloop en de ontwikkelingen op de woningmarkt is gerealiseerd. Weliswaar kan de vrouw de woning in een gunstige tijd van de woningmarkt verkopen en is deze situatie ontstaan doordat de man in de woning is blijven wonen en hij de maandelijkse woonlasten al die jaren heeft voldaan (waar voor hem het volledige woongenot tegenover stond), maar dat is onvoldoende om de man een aanspraak op (een deel van) de overwaarde toe te kennen.

Anders dan de man in grief IV stelt, komt hem volgens het Hof ook geen bedrag uit de overwaarde toe op grond van een onverschuldigde betaling. De man voert aan dat hij door alle betalingen te doen voor de woning vanaf 26 februari 2014 geheel onverplicht een schuld van de vrouw heeft voldaan. Voor zover de stelling van de man ziet op kosten voor onderhoud en verbouwingen van de woning, geldt dat de man dit standpunt volgens het hof onvoldoende heeft onderbouwd. Omdat niet is gebleken dat de man deze kosten heeft gemaakt, kunnen hier geen vorderingen uit voortvloeien. Voor de maandelijkse woonlasten geldt dat partijen hebben afgesproken dat de man de woonlasten zou betalen omdat hij in de woning bleef wonen. Daarmee zijn deze betalingen dus niet onverschuldigd gedaan volgens het hof.

Het hof volgt de man ook niet in zijn in stelling dat hem een vergoedingsrecht toekomt op grond van art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking). De man heeft niet nader onderbouwd of en in hoeverre hij is verarmd en de vrouw zou zijn verrijkt. De grieven van de man falen.

Verwant oordeel

Zie ook:

• HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4649RFR 2010/109;
• HR 11 april 1986, NJ 1986/622 (Baartman/Huibers);
• Hof Den Haag 18 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:892RFR 2022/113;
• Hof ’s-Hertogenbosch 23 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2802RFR 2020/34.

Zie anders:

• HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9687NJ 2004/316;
• Rb. Midden-Nederland 7 april 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1734JPF 2021/05;
• Rb. Rotterdam 9 augustus 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB1556EB 2007/87.

Wenk

Er is volgens het Hof geen sprake van economisch eigendom van de man, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Redelijkheid en billijkheid leiden volgens het Hof evenmin tot een ander oordeel. Deze uitspraak geeft een heldere weergave van deze verschillende grondslagen en laat zien dat er om aan een toewijzing van deze grondslagen toe te kunnen komen, aan een behoorlijke bewijslast moeten worden voldaan. De grondslagen die in deze zaak aan de orde komen, zien wij overigens ook vaak terug in de jurisprudentie over de vergoedingsrechten van samenlevers.

Het oordeel van het hof dat er geen sprake is van economische eigendom aan de zijde van man is in lijn met de heersende leer dat economische eigendom niet zomaar kan worden aangenomen. Eigendom is immers het meest omvattende recht dat een persoon op een goed kan hebben. De wet geeft geen definitie van economische eigendom. De Hoge Raad heeft op 5 maart 2004 (zie onder ‘Zie ook’) wel een definitie gegeven. Hierin is bepaald dat economische eigendom geen eigendom is en dat met dit begrip slechts wordt gedoeld op: “het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben.” De man kon in de onderhavige procedure geen notariële akte, overeenkomst of een ander document overleggen waaruit bijvoorbeeld zou volgen dat hij overdrachtsbelasting zou hebben afgedragen. Ter zitting verklaarde hij bovendien dat er ook geen stukken zijn waar deze economische eigendom uit zou kunnen blijken. Dat leidt bij het hof tot de conclusie dat er bij gebrek aan onderbouwing niet voldoende is gebleken dat de man economisch eigenaar zou zijn geworden en in die hoedanigheid recht zou hebben op (een deel van) de overwaarde van de woning.

Vervolgens deed de man een beroep op de redelijkheid en billijkheid om een aanspraak te kunnen maken op (een deel van) de overwaarde. Hij voerde hiertoe aan dat hij in de periode dat hij zonder de vrouw in de woning heeft gewoond alle kosten van de woning heeft betaald en in de woning heeft geïnvesteerd. Daarbij zou hij de maandelijks verschuldigde rente en aflossing en overige woonlasten hebben voldaan, de woning hebben verbouwd en hebben onderhouden. Behalve van de betaling van de rente en de overige woonlasten is niets gebleken. Voor de verbouwingskosten gold dat de woning inderdaad was verbouwd, maar dat partijen daar reeds tijdens hun huwelijk een (verbouwings)hypotheek voor hadden afgesloten. Van investeringen door de man buiten dit bouwdepot is niet gebleken. Daar komt bij dat hij evenmin heeft gesteld en onderbouwd wat de invloed van deze eventuele investeringen of kosten zou zijn geweest op de waarde van de woning, zodat niet kan worden geconcludeerd dat overwaarde op de woning daardoor is ontstaan. Hierdoor neemt het hof aan dat de waardestijging van de woning door tijdsverloop en de ontwikkelingen op de woningmarkt is gerealiseerd. De vrouw kan de woning nu weliswaar in een gunstige tijd verkopen, mede doordat de man enige jaren in de woning is blijven wonen en hij de maandelijkse woonlasten in die periode heeft voldaan, maar daar stond voor hem ook het volledige woongenot tegenover stond. Bovendien is dat voor het hof onvoldoende om een aanspraak op (een deel van) de overwaarde toe te kennen.

Ten aanzien van de onverschuldigde betaling stelde het hof vast dat de man niet aan zijn bewijslast heeft voldaan dat er sprake zou zijn geweest van kosten voor onderhoud en verbouwing van de woning, die door de man zouden zijn gedragen. Omdat niet is gebleken dat de man deze kosten heeft gemaakt, kunnen hier ook geen vorderingen uit voortvloeien. Voor de maandelijkse woonlasten geldt dat partijen hebben afgesproken dat de man de woonlasten zou betalen omdat hij in de woning bleef wonen. Daarmee zijn deze betalingen volgens het hof dus ook niet onverschuldigd gedaan. Er stond immers woongenot tegenover.

Over de ongerechtvaardigde verrijking op grond van art. 6:212 BW stelt het hof vast dat niet is komen vast te staan dat de man is verarmd en/of de vrouw is verrijkt. De man heeft weliswaar woonlasten voor de woning voldaan, maar als de man ergens anders had gewoond, had hij eveneens woonlasten moeten voldoen. Daardoor is er geen sprake van verarming. Bovendien is niet afgelost op de hypotheekschuld, zodat de vrouw ook niet is verrijkt.

Top